Wist je dat er zoiets bestaat als het Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef? Verzameld door Marc de Coster (2007). Het schijnt gewild te zijn, want het is alleen nog tweedehands te koop voor de bliksemse prijs van € 36,95! Maar geen nood: alle Nederlandse scheldwoorden hieruit die je op zou willen zoeken, zijn ook te vinden op de Etymologiebank.
Hoe ik daar terecht gekomen ben? Via de opdracht van Carel voor #SG17 woord 30: BLIKSEM (KLIK HIER). Het zal hem te binnen zijn geschoten bij de forse onweersbuien die de afgelopen week ons land teisterden. Maar mij schoot meteen iets anders te binnen. Mijn logeerpartijtjes bij Opa en Oma in Amsterdam
Heus, ik was best een lief en gezeglijk meisje, maar ook erg nieuwsgierig en altijd op zoek naar iets leesbaars. En dan kon het wel eens gebeuren dat ik, als ik bij mijn Oma en Opa logeerde, mijn neus in hun boekenkast stak, hetgeen mij uitdrukkelijk verboden was! "Wel bliksemse meid", riep Oma dan, "je weet donders goed dat je daar af moet blijven." Onweer dus, maar dan op een andere manier.
Bij de etymologiebank ontdekte ik dat bliksem, als scheldwoord, waarschijnlijk voor het eerst gebruikt is door Johannes Kneppelhout in Studentenleven (1841-1844). Zijn "flaauwe bliksem" klinkt me niet bekend in de oren. Dan kan ik me meer voorstellen bij: "Zeg, luie bliksems, komt ’r nog wat van?" van Godfried Bomans in De avonturen van tante Pollewop (1958).
Mijn Oma maakte het wel weer goed hoor, met mijn lievelingskostje: Hete bliksem. Dat is een echt Oud-Hollands gerecht, dat nu nauwelijks nog gegeten wordt. Het is een stamppot die bestaat uit 2 delen aardappelen, 1 deel zure appelen (goudreinetten), 1 deel zoete appelen of peren en 1 deel uien. Ze gaf er ook nog gebakken bloedworst bij. Ook zo'n vergeten lekkernij. Doordat er veel vocht uit het fruit
tevoorschijn komt, blijft de maaltijd erg lang heet. Maar waarom het dan BLIKSEM heet? Daar ben ik nog niet achter.
En dan nog een spelletje met een kopje thee en een echte Friese Drabbelkoek en dan als de bliksem naar bed. Want de volgende dag ging ik met Opa op stap, omdat zij haar huis de wekelijkse poetsbeurt ging geven. Geen straf overigens: Artis, Schiphol (toen nog echt gewoon een uitje: vliegtuigen kijken) of het Koloniaal Museum (nu Tropen Museum). En met een beetje geluk kocht Opa dan ergens een kinderleesboek voor mij. Dan hadden ze de rest van de logeerpartij aan deze dondersteen geen kind meer.
© Jannie Trouwborst, juli 2017.
Iedere dinsdag geeft Carel de Mari op zijn blog een woord op waarmee je een spreekwoord kunt bespreken. Iedereen kan altijd meedoen. Hoe? Mag je zelf weten. Je kunt een verhaal schrijven waarin het spreekwoord een rol speelt, je kunt in de etymologie duiken en de oorsprong van het gezegde verklaren, et cetera. Plaats een link onder het blog van Carel en lees daar ook de andere bijdragen.
donderdag 27 juli 2017
donderdag 20 juli 2017
Pruimen doen ruimen
Er zitten dit jaar niet veel pruimen aan onze boom: een late nachtvorst was de oorzaak. Maar wat overbleef was de moeite waard: als eieren zo groot! En lekker zoet. Geen reden dus om te zuurpruimen. Het leek me een uitdaging, de opgave van Carel deze week: PRUIM voor de #SG17-29 (KLIK HIER). Erg veel uitdrukkingen schoten me niet direct te binnen. Dat werd dus even zoeken. Maar dan blijkt de oogst uiteindelijk veel rijker dan ik hier kan opschrijven.
Het begon er al mee dat het woord PRUIM volgens Van Dale 5 betekenissen heeft, waarvan de vrucht en de uitgekauwde prop tabak de meest bekende zijn. Van alle 5 zijn gezegden en spreekwoorden te vinden. Ik vond bij de vrucht genoeg leuke, voor mij onbekende, uitdrukkingen om me daar maar toe te beperken.
- De grappigste vond ik die hierboven in de titel staat: Pruimen doen ruimen. Moet ik die nog toelichten of herken je het gevoel als je per ongeluk teveel van deze pruimen gesnoept hebt?
- Iemand die daar geen last van zal hebben is de vrouw die geen pruim zegt voor een mand vol. M.a.w. zij is zo trots en uit de hoogte dat ze niet op commando "pruim" zal zeggen, al geef je haar een mand vol pruimen. En ongetwijfeld heeft ze ook nog een pruimenmondje.
- Vroeger werd er over opgroeiende kinderen gezegd dat ze nog tussen pruimen en krenten zijn. Eigenlijk vind ik dat een veel leukere uitdrukking dan te klein voor een tafellaken en te groot voor een servet. Maar of mijn puber-kleindochters dat zullen waarderen betwijfel ik zeer.
Ik zag er nog meer, maar ik wil niet dat Carel het gevoel krijgt dat alle pruimen al geschud zijn. Dus ik laat het hier maar bij.
© Jannie Trouwborst, juli 2017.
Iedere dinsdag geeft Carel de Mari op zijn blog een woord op waarmee je een spreekwoord kunt bespreken. Iedereen kan altijd meedoen. Hoe? Mag je zelf weten. Je kunt een verhaal schrijven waarin het spreekwoord een rol speelt, je kunt in de etymologie duiken en de oorsprong van het gezegde verklaren, et cetera. Plaats een link onder het blog van Carel en lees daar ook de andere bijdragen.
- De grappigste vond ik die hierboven in de titel staat: Pruimen doen ruimen. Moet ik die nog toelichten of herken je het gevoel als je per ongeluk teveel van deze pruimen gesnoept hebt?
- Iemand die daar geen last van zal hebben is de vrouw die geen pruim zegt voor een mand vol. M.a.w. zij is zo trots en uit de hoogte dat ze niet op commando "pruim" zal zeggen, al geef je haar een mand vol pruimen. En ongetwijfeld heeft ze ook nog een pruimenmondje.
- Vroeger werd er over opgroeiende kinderen gezegd dat ze nog tussen pruimen en krenten zijn. Eigenlijk vind ik dat een veel leukere uitdrukking dan te klein voor een tafellaken en te groot voor een servet. Maar of mijn puber-kleindochters dat zullen waarderen betwijfel ik zeer.
Ik zag er nog meer, maar ik wil niet dat Carel het gevoel krijgt dat alle pruimen al geschud zijn. Dus ik laat het hier maar bij.
© Jannie Trouwborst, juli 2017.
Iedere dinsdag geeft Carel de Mari op zijn blog een woord op waarmee je een spreekwoord kunt bespreken. Iedereen kan altijd meedoen. Hoe? Mag je zelf weten. Je kunt een verhaal schrijven waarin het spreekwoord een rol speelt, je kunt in de etymologie duiken en de oorsprong van het gezegde verklaren, et cetera. Plaats een link onder het blog van Carel en lees daar ook de andere bijdragen.
vrijdag 14 juli 2017
Hoezo: een wolk van een baby?
Vorige week "BUI"en dus nu "WOLK" vindt Carel voor aflevering 28 van de serie #SG17 over spreekwoorden en gezegden (KLIK HIER).
Maar hoe verhouden die zich tot elkaar? Als je een bui ziet hangen, dan zie je vooral de donkere wolken waar naar verwachting veel striemende regen uit zal vallen. Die bui komt dus voort uit de dreigende wolkenlucht.
In veel uitdrukkingen over wolken (en buien) valt het negatieve aspect ervan op: Achter de wolken schijnt de zon, een wolk met een gouden randje, geen wolkje aan de lucht. Zelfs de uitdrukking: op een roze wolk zitten wil zoveel zeggen als: de realiteit uit het oog verloren hebben en de zaken rooskleuriger bekijken dan ze in werkelijkheid zijn. In het gunstigste geval dus wit, maar misschien ook wel grijs of eigenlijk zo zwart als van een dreigende donderbui.
Maar er is één uitdrukking die volledig de andere kant op lijkt te wijzen, wanneer we het hebben over "een wolk van een baby". Die is niet bedreigend, maar juist positief bedoeld: een aantrekkelijke, stevige en gezonde boreling. Toch zeggen we dat niet van peuters, kleuters, pubers en volwassenen. Dat vraagt om nader onderzoek.
Sinds wanneer kennen we deze uitdrukking? Om te beginnen behoort het Engelse leenwoord baby nog niet zo heel lang tot onze taal: pas eind 19de eeuw werd het hier voor het eerst gebruikt. Maar de combinatie van wolk en mens heeft een veel langere geschiedenis.
Johannes Smetius had het in 1660 over een mensch als een wolk, J. van Paffenrode schreef in 1661 over een man als een wollik, Justus van Effen berichtte in 1732 over een jongen als een wolk en twee jaar later schreef hij de volgende volzin: ”t Is waar, Klaas is een kaerel als een wolk, hy is breed van borst en schouders; hy heeft een kop, daar men paalen mee in de aard zou heien." Uit dit citaat wordt meteen duidelijk wat men met een wolk van een jongen, man, kerel of mens bedoelde: een stevig gebouwd iemand met een blakende gezondheid, dan wel een gezonde, dikke of mollige persoon. Eigenlijk bedoelde men "een jongen die zoo bol is als een regenwolk", aldus F.A. Stoett in zijn beroemde spreekwoordenboek.
Tegenwoordig wordt de uitdrukking alleen nog gebruikt voor pasgeboren kinderen, maar waarom dat zo is? Ik zou in de wolken zijn als iemand me dat kan vertellen.
© Jannie Trouwborst, juli 2017.
Iedere dinsdag geeft Carel de Mari op zijn blog een woord op waarmee je een spreekwoord kunt bespreken. Iedereen kan altijd meedoen. Hoe? Mag je zelf weten. Je kunt een verhaal schrijven waarin het spreekwoord een rol speelt, je kunt in de etymologie duiken en de oorsprong van het gezegde verklaren, et cetera. Plaats een link onder het blog van Carel en lees daar ook de andere bijdragen.
Maar hoe verhouden die zich tot elkaar? Als je een bui ziet hangen, dan zie je vooral de donkere wolken waar naar verwachting veel striemende regen uit zal vallen. Die bui komt dus voort uit de dreigende wolkenlucht.
In veel uitdrukkingen over wolken (en buien) valt het negatieve aspect ervan op: Achter de wolken schijnt de zon, een wolk met een gouden randje, geen wolkje aan de lucht. Zelfs de uitdrukking: op een roze wolk zitten wil zoveel zeggen als: de realiteit uit het oog verloren hebben en de zaken rooskleuriger bekijken dan ze in werkelijkheid zijn. In het gunstigste geval dus wit, maar misschien ook wel grijs of eigenlijk zo zwart als van een dreigende donderbui.
Maar er is één uitdrukking die volledig de andere kant op lijkt te wijzen, wanneer we het hebben over "een wolk van een baby". Die is niet bedreigend, maar juist positief bedoeld: een aantrekkelijke, stevige en gezonde boreling. Toch zeggen we dat niet van peuters, kleuters, pubers en volwassenen. Dat vraagt om nader onderzoek.
Sinds wanneer kennen we deze uitdrukking? Om te beginnen behoort het Engelse leenwoord baby nog niet zo heel lang tot onze taal: pas eind 19de eeuw werd het hier voor het eerst gebruikt. Maar de combinatie van wolk en mens heeft een veel langere geschiedenis.
Johannes Smetius had het in 1660 over een mensch als een wolk, J. van Paffenrode schreef in 1661 over een man als een wollik, Justus van Effen berichtte in 1732 over een jongen als een wolk en twee jaar later schreef hij de volgende volzin: ”t Is waar, Klaas is een kaerel als een wolk, hy is breed van borst en schouders; hy heeft een kop, daar men paalen mee in de aard zou heien." Uit dit citaat wordt meteen duidelijk wat men met een wolk van een jongen, man, kerel of mens bedoelde: een stevig gebouwd iemand met een blakende gezondheid, dan wel een gezonde, dikke of mollige persoon. Eigenlijk bedoelde men "een jongen die zoo bol is als een regenwolk", aldus F.A. Stoett in zijn beroemde spreekwoordenboek.
Tegenwoordig wordt de uitdrukking alleen nog gebruikt voor pasgeboren kinderen, maar waarom dat zo is? Ik zou in de wolken zijn als iemand me dat kan vertellen.
© Jannie Trouwborst, juli 2017.
Iedere dinsdag geeft Carel de Mari op zijn blog een woord op waarmee je een spreekwoord kunt bespreken. Iedereen kan altijd meedoen. Hoe? Mag je zelf weten. Je kunt een verhaal schrijven waarin het spreekwoord een rol speelt, je kunt in de etymologie duiken en de oorsprong van het gezegde verklaren, et cetera. Plaats een link onder het blog van Carel en lees daar ook de andere bijdragen.
dinsdag 4 juli 2017
De ene bui is de andere niet
In wat voor stemming zou Carel geweest zijn, toen hij voor de #SG17-27 het woord BUI (KLIK HIER) opgaf? In een vrolijke bui, een boze bui, een melancholische bui..... vul maar in. Of was hij net drijfnat geregend?
Uit het etymologisch woordenboek blijkt dat bui als "neerslag" vanaf 1599 gebruikt werd, als "vlaag van ongenoegen" vanaf 1626 en als "stemming" vanaf 1786. Vooral de korte tijdsspanne tussen de eerste en de tweede betekenis valt me op. De oorspronkelijke "buy" was dan ook niet zomaar een beetje regen. Een hevige wind, met stormvlagen en striemende regen hoorden erbij. Dat verklaart waarom het ook in overdrachtelijke zin gebruikt kon worden als een "vlaag van ongenoegen". Maar een bui drijft over en het weer klaart op. Net als de vlaag van ongenoegen tijdelijk is en de boze bui weer verdwijnt.
Het duurde wat langer voor de bui "stemming in het algemeen" ging betekenen en hoewel dat verband moeilijker te verklaren is (een bui is immers vooral negatief), wordt het inmiddels voor vele soorten stemmingen gebruikt.
Ik zie (of voel) de bui al hangen betekent zoveel als: ik zag de narigheid al aankomen. De bui afwachten betekent: weten dat er iets te vrezen valt en dat maar rustig afwachten. Voor de bui binnen zijn: schuilen voor het onheil komt. Allemaal spreekwoorden waarin bui als weersverschijnsel nog doorklinkt. En waarbij vooral de dreiging van onheil, net als bij storm en regenbuien, een rol speelt.
Met De bui zal wel overwaaien zitten we m.i. op de grens van weersverschijnsel en stemming. Ook een ander Hollands weersverschijnsel zit erin: wind. Letterlijk genomen betekent het natuurlijk dat het weer wel weer op zal klaren als de bui overgewaaid is, maar wij gebruiken de uitdrukking vooral om aan te geven: die boosheid verdwijnt wel weer. Een voorbeeld van "vlaag van ongenoegen". Bui verbonden dus met een persoonlijke stemming.
En tegenwoordig zijn we allemaal in allerlei buien gade te slaan: jolige, vrijgevige, sombere, ijverige, uitgelaten, boze of sacherijnige. Door de Dikke van Dale samengevat als: luim. Ook een mooi woord.
De Dikke van Dale geeft nog als voorbeeld: Zij heeft zo haar buien. Mijn moeder had daar nog al last van. Er was dan geen land met haar te bezeilen. Maar daar hadden wij toch een andere uitdrukking voor: Ze heeft weer eens de bokkenpruik op. Behalve humeurig was ze nl. nog eens op een koppige manier boos. Dan past die uitdrukking toch beter. Maar waar die dan weer vandaan komt? Dat zoeken we op!
© Jannie Trouwborst, juli 2017.
Iedere dinsdag geeft Carel de Mari op zijn blog een woord op waarmee je een spreekwoord kunt bespreken. Iedereen kan altijd meedoen. Hoe? Mag je zelf weten. Je kunt een verhaal schrijven waarin het spreekwoord een rol speelt, je kunt in de etymologie duiken en de oorsprong van het gezegde verklaren, et cetera. Plaats een link onder het blog van Carel en lees daar ook de andere bijdragen.
Uit het etymologisch woordenboek blijkt dat bui als "neerslag" vanaf 1599 gebruikt werd, als "vlaag van ongenoegen" vanaf 1626 en als "stemming" vanaf 1786. Vooral de korte tijdsspanne tussen de eerste en de tweede betekenis valt me op. De oorspronkelijke "buy" was dan ook niet zomaar een beetje regen. Een hevige wind, met stormvlagen en striemende regen hoorden erbij. Dat verklaart waarom het ook in overdrachtelijke zin gebruikt kon worden als een "vlaag van ongenoegen". Maar een bui drijft over en het weer klaart op. Net als de vlaag van ongenoegen tijdelijk is en de boze bui weer verdwijnt.
Het duurde wat langer voor de bui "stemming in het algemeen" ging betekenen en hoewel dat verband moeilijker te verklaren is (een bui is immers vooral negatief), wordt het inmiddels voor vele soorten stemmingen gebruikt.
Ik zie (of voel) de bui al hangen betekent zoveel als: ik zag de narigheid al aankomen. De bui afwachten betekent: weten dat er iets te vrezen valt en dat maar rustig afwachten. Voor de bui binnen zijn: schuilen voor het onheil komt. Allemaal spreekwoorden waarin bui als weersverschijnsel nog doorklinkt. En waarbij vooral de dreiging van onheil, net als bij storm en regenbuien, een rol speelt.
Met De bui zal wel overwaaien zitten we m.i. op de grens van weersverschijnsel en stemming. Ook een ander Hollands weersverschijnsel zit erin: wind. Letterlijk genomen betekent het natuurlijk dat het weer wel weer op zal klaren als de bui overgewaaid is, maar wij gebruiken de uitdrukking vooral om aan te geven: die boosheid verdwijnt wel weer. Een voorbeeld van "vlaag van ongenoegen". Bui verbonden dus met een persoonlijke stemming.
En tegenwoordig zijn we allemaal in allerlei buien gade te slaan: jolige, vrijgevige, sombere, ijverige, uitgelaten, boze of sacherijnige. Door de Dikke van Dale samengevat als: luim. Ook een mooi woord.
De Dikke van Dale geeft nog als voorbeeld: Zij heeft zo haar buien. Mijn moeder had daar nog al last van. Er was dan geen land met haar te bezeilen. Maar daar hadden wij toch een andere uitdrukking voor: Ze heeft weer eens de bokkenpruik op. Behalve humeurig was ze nl. nog eens op een koppige manier boos. Dan past die uitdrukking toch beter. Maar waar die dan weer vandaan komt? Dat zoeken we op!
© Jannie Trouwborst, juli 2017.
Iedere dinsdag geeft Carel de Mari op zijn blog een woord op waarmee je een spreekwoord kunt bespreken. Iedereen kan altijd meedoen. Hoe? Mag je zelf weten. Je kunt een verhaal schrijven waarin het spreekwoord een rol speelt, je kunt in de etymologie duiken en de oorsprong van het gezegde verklaren, et cetera. Plaats een link onder het blog van Carel en lees daar ook de andere bijdragen.
woensdag 28 juni 2017
Muizenissen over kaas
Toen we van Carel het woord KAAS voorgeschoteld kregen voor de #SG17-26 (KLIK HIER) liep het water me in de mond. Daar ben ik dol op, zeker op van die kleine blokjes extra belegen Goudse 48+ kaas. En mij schoten ook direct al een heleboel bekende spreekwoorden en gezegden over kaas te binnen. Maar ja, ik ben niet snel tevreden hè? Dus maar eens een ernstige zoekpoging op het internet uitgevoerd.
Wat mij daarbij in de eerste plaats opviel, is dat er nogal wat spreekwoorden zijn waarin kat en kaas voorkomen. Terwijl ik toch bij kaas eerder aan muizen denk.... Bovendien is kaas niet goed voor katten (te vet, te zout èn een zuivelproduct). Het meest vreemde spreekwoord vind ik: Ze heeft de kat aan de kaas laten komen. Dat wil zoveel zeggen als: ze is zwanger geraakt. Ik vind het moeilijk om te bedenken welke draai je daar aan moet geven om dit spreekwoord zo uit te leggen.
Maar ik wilde op zoek naar een spreekwoord met muizen en tot mijn verbazing vond ik er maar één. Al van jongs af aan was ik in de veronderstelling dat muizen van
kaas houden. Dat komt bijvoorbeeld door tekenfilms waar muisjes in voorkomen en omdat mijn ouders muizenvallen neerzetten met een blokje kaas als
lokaas.
Maar nu blijkt bij nader onderzoek dat muizen helemaal niet zoveel van kaas houden en er soms zelfs een hekel aan hebben. Ze zijn te vergelijken met ratten: het zijn geen moeilijke eters, ze lusten eigenlijk bijna alles. Ze hebben echter een voorkeur voor fruit, groente, granen en zaden, insecten en vlees. Kaas eten ze alleen als ze erge honger hebben. Niet alleen is kaas niet zoet (hun voorkeurssmaak), het ruikt ook te sterk. De kans ze in een muizenval te lokken met kaas is dan ook heel klein.... Goh, weer wat geleerd. Hoewel: dat was toch al niet mijn manier van muizen vangen.
Mijn vondst is: Zorgen zijn de muizen van vandaag die de kaas van morgen opeten.
Hij sprak me aan, maar er stond geen uitleg bij. Helemaal vanzelfsprekend is hij niet, meer een doordenkertje. Het eerste deel is te vangen onder de term muizenissen, lijkt me. Wil het tweede deel misschien zeggen dat de mogelijkheden/oplossingen die zich morgen wellicht aandienen, je door al dat gepieker ontgaan? Zodat kunnen? Ik hoor het graag van jullie.
© Jannie Trouwborst, juni 2017.
Iedere dinsdag geeft Carel de Mari op zijn blog een woord op waarmee je een spreekwoord kunt bespreken. Iedereen kan altijd meedoen. Hoe? Mag je zelf weten. Je kunt een verhaal schrijven waarin het spreekwoord een rol speelt, je kunt in de etymologie duiken en de oorsprong van het gezegde verklaren, et cetera. Plaats een link onder het blog van Carel en lees daar ook de andere bijdragen.
Wat mij daarbij in de eerste plaats opviel, is dat er nogal wat spreekwoorden zijn waarin kat en kaas voorkomen. Terwijl ik toch bij kaas eerder aan muizen denk.... Bovendien is kaas niet goed voor katten (te vet, te zout èn een zuivelproduct). Het meest vreemde spreekwoord vind ik: Ze heeft de kat aan de kaas laten komen. Dat wil zoveel zeggen als: ze is zwanger geraakt. Ik vind het moeilijk om te bedenken welke draai je daar aan moet geven om dit spreekwoord zo uit te leggen.
![]() |
| Dat is toch veel lekkerder dan kaas! |
Maar nu blijkt bij nader onderzoek dat muizen helemaal niet zoveel van kaas houden en er soms zelfs een hekel aan hebben. Ze zijn te vergelijken met ratten: het zijn geen moeilijke eters, ze lusten eigenlijk bijna alles. Ze hebben echter een voorkeur voor fruit, groente, granen en zaden, insecten en vlees. Kaas eten ze alleen als ze erge honger hebben. Niet alleen is kaas niet zoet (hun voorkeurssmaak), het ruikt ook te sterk. De kans ze in een muizenval te lokken met kaas is dan ook heel klein.... Goh, weer wat geleerd. Hoewel: dat was toch al niet mijn manier van muizen vangen.
Mijn vondst is: Zorgen zijn de muizen van vandaag die de kaas van morgen opeten.
Hij sprak me aan, maar er stond geen uitleg bij. Helemaal vanzelfsprekend is hij niet, meer een doordenkertje. Het eerste deel is te vangen onder de term muizenissen, lijkt me. Wil het tweede deel misschien zeggen dat de mogelijkheden/oplossingen die zich morgen wellicht aandienen, je door al dat gepieker ontgaan? Zodat kunnen? Ik hoor het graag van jullie.
© Jannie Trouwborst, juni 2017.
Iedere dinsdag geeft Carel de Mari op zijn blog een woord op waarmee je een spreekwoord kunt bespreken. Iedereen kan altijd meedoen. Hoe? Mag je zelf weten. Je kunt een verhaal schrijven waarin het spreekwoord een rol speelt, je kunt in de etymologie duiken en de oorsprong van het gezegde verklaren, et cetera. Plaats een link onder het blog van Carel en lees daar ook de andere bijdragen.
maandag 26 juni 2017
Die pet past ons allemaal
De hoed en de pet, ze stonden lang symbool voor respectievelijk een heer van stand en een arbeider of knecht. Wie op zoek gaat naar spreekwoorden en gezegden vindt er dan ook veel waarin dat verschil tot uitdrukking komt. Mij valt op dat vooral Jan met de pet er slecht af komt: Alles gaat boven zijn pet, hij kan er met de pet niet bij, het is huilen met de pet op. Zelfs onder de pet houden (iets wat we tegenwoordig juist van de grote heren gewend zijn) verwijst naar het hoofddeksel van de arbeider. Kleinerende, neerbuigende en afkeurende opmerkingen genoeg, maar gelukkig neemt men ook wel eens ergens zijn pet voor af. Let wel "pet", geen hoed!
Je begrijpt het al: na hoed gaf Carel ditmaal (op mijn verzoek) PET op als woord voor #SG17-25 (KLIK HIER), mij ingegeven door de uitdrukking die mijn moeder vaak bezigde: dat was weer pet (= knudde, waardeloos). Ik had nog even de hoop, dat pet hier iets anders betekende dan het hoofddeksel. Pet heeft volgens Van Dale nl. 3 betekenissen: 1. hoofddeksel, 2. put, poel of kuiltje en 3. knudde (informeel, staat erbij). Verder zoeken geeft aan dat het een verkorting is van: het is knudde met de pet op. Dus weer iets wat waardeloos is, vanwege de petdrager.
Mijn moeder vond iets vaak "pet". Maar soms werd het "snert". En snertvent bv. was een rotvent. Maar haar boze uitspraak over de erwtensoep in de stationsrestauratie in Nijmegen uit 1962 doet het nogal tijd goed op verjaardagen: die soep was namelijk gewoon snert volgens haar.
Op zoek naar een originele uitdrukking kwam ik o.a. tegen: "Wat heb ik nou aan mijn pet hangen?" (wat gebeurt me nu?). Het verbaasde me, omdat ik mijn vader altijd hoorde zeggen: "Wat heb ik nou aan mijn fiets hangen?" Maar misschien was dat zijn eigen variatie? Zo werd er bij ons thuis ook altijd gezegd: "Dat mag de pret niet drukken." Ik vond dat zo logisch klinken: wat er ook gebeurt, we blijven positief. Nu zie ik in de spreekwoorden met pet bij Van Dale dat het zou zijn: "Dat mag de pet niet drukken." Dat snap ik niet. Wat zeggen jullie?
Maar ondanks alle spreekwoorden en gezegden waarin de pet symbool staat voor iets negatiefs vond ik er gelukkig toch ook nog enkele die minder bekend en neutraler zijn: Achter de pet kijken (= bidden voor het eten), In de pet kijken (= een dutje doen) en Onder zijn pet kruipen (= overlijden).
Het doet me goed dat we dus gerust kunnen zeggen dat ook de hoeddragende heren die iets onder de pet hielden, uiteindelijk, net als iedereen, onder hun pet zullen kruipen.
© Jannie Trouwborst, juni 2017.
Iedere dinsdag geeft Carel de Mari op zijn blog een woord op waarmee je een spreekwoord kunt bespreken. Iedereen kan altijd meedoen. Hoe? Mag je zelf weten. Je kunt een verhaal schrijven waarin het spreekwoord een rol speelt, je kunt in de etymologie duiken en de oorsprong van het gezegde verklaren, et cetera. Plaats een link onder het blog van Carel en lees daar ook de andere bijdragen.
Je begrijpt het al: na hoed gaf Carel ditmaal (op mijn verzoek) PET op als woord voor #SG17-25 (KLIK HIER), mij ingegeven door de uitdrukking die mijn moeder vaak bezigde: dat was weer pet (= knudde, waardeloos). Ik had nog even de hoop, dat pet hier iets anders betekende dan het hoofddeksel. Pet heeft volgens Van Dale nl. 3 betekenissen: 1. hoofddeksel, 2. put, poel of kuiltje en 3. knudde (informeel, staat erbij). Verder zoeken geeft aan dat het een verkorting is van: het is knudde met de pet op. Dus weer iets wat waardeloos is, vanwege de petdrager.
Mijn moeder vond iets vaak "pet". Maar soms werd het "snert". En snertvent bv. was een rotvent. Maar haar boze uitspraak over de erwtensoep in de stationsrestauratie in Nijmegen uit 1962 doet het nogal tijd goed op verjaardagen: die soep was namelijk gewoon snert volgens haar.
Op zoek naar een originele uitdrukking kwam ik o.a. tegen: "Wat heb ik nou aan mijn pet hangen?" (wat gebeurt me nu?). Het verbaasde me, omdat ik mijn vader altijd hoorde zeggen: "Wat heb ik nou aan mijn fiets hangen?" Maar misschien was dat zijn eigen variatie? Zo werd er bij ons thuis ook altijd gezegd: "Dat mag de pret niet drukken." Ik vond dat zo logisch klinken: wat er ook gebeurt, we blijven positief. Nu zie ik in de spreekwoorden met pet bij Van Dale dat het zou zijn: "Dat mag de pet niet drukken." Dat snap ik niet. Wat zeggen jullie?
Maar ondanks alle spreekwoorden en gezegden waarin de pet symbool staat voor iets negatiefs vond ik er gelukkig toch ook nog enkele die minder bekend en neutraler zijn: Achter de pet kijken (= bidden voor het eten), In de pet kijken (= een dutje doen) en Onder zijn pet kruipen (= overlijden).
Het doet me goed dat we dus gerust kunnen zeggen dat ook de hoeddragende heren die iets onder de pet hielden, uiteindelijk, net als iedereen, onder hun pet zullen kruipen.
© Jannie Trouwborst, juni 2017.
Iedere dinsdag geeft Carel de Mari op zijn blog een woord op waarmee je een spreekwoord kunt bespreken. Iedereen kan altijd meedoen. Hoe? Mag je zelf weten. Je kunt een verhaal schrijven waarin het spreekwoord een rol speelt, je kunt in de etymologie duiken en de oorsprong van het gezegde verklaren, et cetera. Plaats een link onder het blog van Carel en lees daar ook de andere bijdragen.
maandag 19 juni 2017
De kleren maken de man
Toen ik vorige week op zoek ging naar een spreekwoord met MUS kwam ik er één tegen die me wel aansprak, maar ik koos uiteindelijk voor een andere. Maar nu komt Carel met HOED en dat komt goed uit, want dan kan ik dat spreekwoord toch nog gebruiken voor de #SG17-24 (KLIK HIER).
"Hij heeft een mus onder zijn hoed" (wil zoveel zeggen als: hij groet nooit, neemt nooit zijn hoed voor iemand af).
Het dateert ongetwijfeld uit de tijd dat arbeiders nog hun pet (woord voor de volgende keer Carel?) afnamen voor hun patroon en dat heren een hoge hoed droegen en die afnamen om elkaar te groeten. Hoe graag ik ook oude spreekwoorden en gezegden nieuw leven in zou willen blazen, bij deze heeft dat weinig zin, dunkt me. Er zijn nog maar weinig heren met hoed, maar wie weet, als het weer in de mode komt....
Mijn reden voor het kiezen van dit spreekwoord is daarom een hele andere. Het deed mij denken aan mijn grootvader die wel zijn hoed afnam om te groeten en die nooit zonder hoed van huis ging. Ook niet als het hard waaide. Met als gevolg dat hij op gevorderde leeftijd zijn arm brak bij een val in een poging zijn hoed te grijpen die van zijn hoofd dreigde te waaien....
Mijn grootvader, die als kind mee moest maken wat de gevolgen van alcoholmisbruik zijn. Die liefdevol opgevangen werd bij zijn tante en door zijn oom opgeleid werd tot een vakbekwaam schoenmaker. Die zich samen met zijn oudste broer inzette voor de oprichting van De Blauwe Knoop: een vereniging voor voorlichting over en ter bestrijding van drankmisbruik. Die dankzij de steun van deze broer, net als zijn andere broers, door zelfstudie en heel veel discipline het verder schopte dan schoenmaker. Hij werd ambtenaar: eerst bij de douane, om al studerend zijn loopbaan te beëindigen als Inspecteur van de Belastingen in Amsterdam.
Wat heeft dat met die hoed te maken? Mijn opa nam zijn ambt heel serieus: hij diende er onberispelijk uit te zien, vond hij. De jaren van klompen en lompen lagen ver achter hem, maar bleven in zijn geheugen dichtbij. Als Inspecteur van de Belastingen droeg hij altijd een kostuum, een stropdas, manchetknopen en een HOED. Zelfs in zijn vrije tijd, zoals op de dag dat hij ons, samen met mijn oma, bezocht op het strand van Zoutelande tijdens de vakantie. Dat is een beeld dat me altijd bij blijft: temidden van een strand vol mensen in badkleding kwamen daar mijn grootouders aanlopen: hij in zijn kostuum met hoed en zij in haar netste jurk. Er zijn foto's van, maar ik kon alleen de bijgaande nog vinden. De hoed is af en het jasje uit als ze eenmaal in de strandstoel zitten. Op de andere foto staan beiden, met mijn vader, in vol ornaat op een bospad tijdens een andere vakantie.
De kleren maken de man, maar mijn opa en oma bleven hun achtergrond trouw: socialisten in hart en nieren. Oma was actief voor de Rooie Vrouwen. En Opa hielp iedereen die daar om vroeg met het invullen van de inkomstenbelasting. Hij had er zelfs een bordje voor laten maken voor bij de deur van hun etagewoning in Amsterdam-Noord. Het tarief daarvoor lag niet vast, vaak deed hij het voor niets. Tijdens het invullen werd hem wel duidelijk wie wel of niet iets missen kon. Maar veel vroeg hij er nooit voor.
Dat was dus mijn pake (=Fries voor grootvader): een onkreukbare, sociaalvoelende belastinginspecteur, netjes in pak en met een hoed waar echt geen mus onder zat.
© Jannie Trouwborst, juni 2017.
Iedere dinsdag geeft Carel de Mari op zijn blog een woord op waarmee je een spreekwoord kunt bespreken. Iedereen kan altijd meedoen. Hoe? Mag je zelf weten. Je kunt een verhaal schrijven waarin het spreekwoord een rol speelt, je kunt in de etymologie duiken en de oorsprong van het gezegde verklaren, et cetera. Plaats een link onder het blog van Carel en lees daar ook de andere bijdragen.
"Hij heeft een mus onder zijn hoed" (wil zoveel zeggen als: hij groet nooit, neemt nooit zijn hoed voor iemand af).
Het dateert ongetwijfeld uit de tijd dat arbeiders nog hun pet (woord voor de volgende keer Carel?) afnamen voor hun patroon en dat heren een hoge hoed droegen en die afnamen om elkaar te groeten. Hoe graag ik ook oude spreekwoorden en gezegden nieuw leven in zou willen blazen, bij deze heeft dat weinig zin, dunkt me. Er zijn nog maar weinig heren met hoed, maar wie weet, als het weer in de mode komt....
Mijn reden voor het kiezen van dit spreekwoord is daarom een hele andere. Het deed mij denken aan mijn grootvader die wel zijn hoed afnam om te groeten en die nooit zonder hoed van huis ging. Ook niet als het hard waaide. Met als gevolg dat hij op gevorderde leeftijd zijn arm brak bij een val in een poging zijn hoed te grijpen die van zijn hoofd dreigde te waaien....
Mijn grootvader, die als kind mee moest maken wat de gevolgen van alcoholmisbruik zijn. Die liefdevol opgevangen werd bij zijn tante en door zijn oom opgeleid werd tot een vakbekwaam schoenmaker. Die zich samen met zijn oudste broer inzette voor de oprichting van De Blauwe Knoop: een vereniging voor voorlichting over en ter bestrijding van drankmisbruik. Die dankzij de steun van deze broer, net als zijn andere broers, door zelfstudie en heel veel discipline het verder schopte dan schoenmaker. Hij werd ambtenaar: eerst bij de douane, om al studerend zijn loopbaan te beëindigen als Inspecteur van de Belastingen in Amsterdam.
Wat heeft dat met die hoed te maken? Mijn opa nam zijn ambt heel serieus: hij diende er onberispelijk uit te zien, vond hij. De jaren van klompen en lompen lagen ver achter hem, maar bleven in zijn geheugen dichtbij. Als Inspecteur van de Belastingen droeg hij altijd een kostuum, een stropdas, manchetknopen en een HOED. Zelfs in zijn vrije tijd, zoals op de dag dat hij ons, samen met mijn oma, bezocht op het strand van Zoutelande tijdens de vakantie. Dat is een beeld dat me altijd bij blijft: temidden van een strand vol mensen in badkleding kwamen daar mijn grootouders aanlopen: hij in zijn kostuum met hoed en zij in haar netste jurk. Er zijn foto's van, maar ik kon alleen de bijgaande nog vinden. De hoed is af en het jasje uit als ze eenmaal in de strandstoel zitten. Op de andere foto staan beiden, met mijn vader, in vol ornaat op een bospad tijdens een andere vakantie.
De kleren maken de man, maar mijn opa en oma bleven hun achtergrond trouw: socialisten in hart en nieren. Oma was actief voor de Rooie Vrouwen. En Opa hielp iedereen die daar om vroeg met het invullen van de inkomstenbelasting. Hij had er zelfs een bordje voor laten maken voor bij de deur van hun etagewoning in Amsterdam-Noord. Het tarief daarvoor lag niet vast, vaak deed hij het voor niets. Tijdens het invullen werd hem wel duidelijk wie wel of niet iets missen kon. Maar veel vroeg hij er nooit voor.
Dat was dus mijn pake (=Fries voor grootvader): een onkreukbare, sociaalvoelende belastinginspecteur, netjes in pak en met een hoed waar echt geen mus onder zat.
© Jannie Trouwborst, juni 2017.
Iedere dinsdag geeft Carel de Mari op zijn blog een woord op waarmee je een spreekwoord kunt bespreken. Iedereen kan altijd meedoen. Hoe? Mag je zelf weten. Je kunt een verhaal schrijven waarin het spreekwoord een rol speelt, je kunt in de etymologie duiken en de oorsprong van het gezegde verklaren, et cetera. Plaats een link onder het blog van Carel en lees daar ook de andere bijdragen.
Abonneren op:
Posts (Atom)








